maandag 19 september 2016

John Goldingay over bidden

Dit essay stond afgelopen vrijdag in het Nederlands Dagblad - om te vieren dat de eerste twee deeltjes van Goldingay's verklaring van het Oude Testament zijn verschenen:



WAAROM DE KERKGESCHIEDENIS ZO LANG DUURT

Dit essay gaat over ‘Vijf verbluffende dingen waarvan je God kunt vragen ze niet te doen.’ Die vijf dingen staan in Mozes’ gebed in Exodus 32. Vijf dingen waarvan je tegen God kunt zeggen: doe het niet!
Mozes is bij God op de berg en krijgt instructie over de manier waarop God en Israël met elkaar om moeten gaan. Het volk Israël wacht onderaan de berg. Het vraagt zich ongeduldig af hoe lang Mozes nog daarboven zal blijven dralen en de mensen besluiten een creatief initiatief te nemen in hun omgang met God. Dat initiatief, het gouden kalf, blijkt helaas precies het omgekeerde te zijn van wat God Mozes bovenop de berg opdraagt.

Verlies uw geduld niet

Daarom moet Mozes voor het volk bidden. En het eerste wat hij zegt is: ‘Verlies uw geduld niet.’ ‘Wilt u dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk, HEER, dat u met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd?’
            Wij vinden het al gauw vreemd dat God boos wordt. Maar dat hij dat wel wordt betekent dat God een echte persoon is. God is iemand met gevoelens en emoties, bijvoorbeeld mededogen en genade. God is iemand die liefheeft en om mensen geeft, die zich verheugt en geniet, die jaloers en boos wordt. God is niet een soort abstract iets daarboven, of een vorst die onbewogen op zijn troon zit, zonder dat ook maar iets hem raakt. God is een persoon met emoties, en daar hoort bij dat hij boos of woedend wordt of zijn geduld verliest.
Ik vermoed dat de Israëlieten vaak zeiden dat God boos was, omdat ze die indruk hadden door wat hen overkwam. Als iemand boos op je is, weet je dat: je hebt een draai om je oren gekregen, en je weet dat daar waarschijnlijk een reden voor was. Er gaan dingen verkeerd in je leven, in de wereld of in de kerk, en je maakt daaruit op dat God blijkbaar boos is.
            Als we kijken naar de wereld en de kerk zoals we die vandaag kennen, zouden we redelijkerwijs kunnen concluderen dat God boos is. Misschien is het in de wereld en de kerk (althans in Europa) daarom zo’n puinhoop. Dat het er met de kerk zo belabberd voorstaat accepteren we veel te gemakkelijk; we halen onze schouders erover op, in plaats van de vraag te stellen of God boos is. Maar we zouden God moeten uitdagen; misschien moeten we doen wat Mozes doet, namelijk tegen God zeggen: ‘Waarom bent u boos?’ Misschien krijgen we zelfs wel antwoord.

Laat[MK1]  ons niet vallen

Mozes’ tweede uitdaging aan God is: ‘Laat ons niet vallen.’ Geef het project waarmee u begonnen bent, niet op. ‘Wilt u dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk, HEER, dat u met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd?’ U bent nog maar net met het karwei begonnen. U zei dat u ons naar het land zou brengen dat u aan ons beloofd hebt. U zei dat u een relatie met ons aan zou gaan. U zei dat u de wereld een voorbeeld zou geven van wat het betekent om Jahwehs volk te zijn. U geeft dat project toch niet op? U laat ons toch niet vallen? Dat kunt u niet doen!

Wek niet de verkeerde indruk

Mozes’ derde uitdaging is: ‘Wek niet de verkeerde indruk.’ Daarmee bouwt hij voort op de tweede. ‘Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”?’ Denk eens aan de indruk die de wereld, de hele schepping, van u zou krijgen. Denk aan uw eigen reputatie.
In de Bijbel is dit vaak de basis voor een smeekgebed tot God. Dat lijkt misschien een wat zelfzuchtige reden. Maar de mensen in de Bijbel hebben kennelijk totaal geen scrupules in hun gebeden. Ze zijn tot alles bereid om God tot handelen te prikkelen. ‘U kunt ons nu niet verwerpen. Dat zou de indruk wekken dat u het karwei tenslotte toch niet kon klaren; dat u niet in staat was om Israël naar het land te brengen dat u het beloofd had.’

Wees niet onverbiddelijk

En ‘Wees niet onverbiddelijk.’ Laat uw heftige woede varen. Bedenk u en breng geen onheil over uw volk. Het Oude Testament is blijkbaar helemaal niet bang voor de gedachte dat God zich bedenkt. Lezers van de Bijbel voelen zich daar vaak ongemakkelijk bij, alsof het voor God niet nodig zou moeten zijn om van gedachten te veranderen. Maar iedereen die een leidinggevende functie heeft weet dat de beslissingen die je neemt meestal niet zijn gebaseerd op een zekerheid van 100%, of zelfs maar 90%. Vaak beslis je op basis van 60-40 (als je geluk hebt), of 51–49. En God is wat dat betreft in dezelfde positie als wij. Ook God moet soms kiezen voor de minst rampzalige aanpak.
Als God aankondigt dat hij van plan is ons te zegenen, is er geen sprake van dat je God op andere gedachten kunt brengen, zoals Bileam aan Balak uitlegt in Numeri 23. Maar als God aankondigt dat hij van plan is te straffen, is het altijd de moeite waard om te proberen hem over te halen dat niet te doen. Daar gaat Abraham vanuit ten behoeve van Sodom en daar gaan profeten als Amos en Jeremia vanuit. En een van de dingen die tijdens het bidden plaatsvinden, is dat we God inderdaad vragen om iets anders te doen dan hij van plan was. Anders zou gebed zelfs geen zin hebben. Als we God vragen iets te doen, is het de bedoeling dat dat verzoek een verschil maakt.
            Ann en ik nodigden eens een vriendin uit om met ons mee op vakantie te gaan. Ze sloeg de uitnodiging af, omdat ze zich de vakantie niet kon veroorloven. Het jaar daarna kon ze dat wel en ging ze wel mee; en we nodigden nog een andere vriendin uit. Deze tweede vriendin leek de uitnodiging ook af te slaan, maar de eerste vriendin spoorde ons aan om geen nee te accepteren. ‘Maar vorig jaar ging jij ook niet mee!’ riep ik. ‘Je hebt ook niet geprobeerd me over te halen,’ zei ze. Ik had me gewonnen gegeven, ‘nee’ geaccepteerd. Dat zal me niet nog eens gebeuren, niet bij haar, en ook niet bij God.


Vergeet niet wat u beloofd hebt

Ten vijfde: ‘Vergeet niet wat u beloofd hebt.’ ‘Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie u onder ede deze belofte hebt gedaan: “Ik zal jullie zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn, en het hele gebied waarvan ik gesproken heb zal ik hun voor altijd in bezit geven.”’
            God heeft beloften gedaan. En in zijn gebed herinnert Mozes God daaraan. Als mensen zeggen dat ze dingen van God ‘claimen’ kan dat twijfelachtig klinken, maar er zit toch iets in. Je timmert op Gods deur of op Gods borst en zegt: ‘U mag uw beloften niet vergeten.’ In het gebed herinneren we God aan verplichtingen die hij is aangegaan, waar hij niet onderuit kan.
            En Jahweh verandert na het gebed van Mozes inderdaad van gedachten: hij ziet ervan af onheil over het volk te brengen. Als we (op een bepaalde manier) filosofisch willen zijn, kunnen we natuurlijk  zeggen dat God van te voren wist dat het moment zou komen waarop hij zich zou bedenken, en dat het allemaal deel uitmaakte van zijn plan. Zo willen we dan Gods soevereiniteit veilig stellen. Maar de Bijbel zelf doet dat niet. Wat de Bijbel doet, is het verhaal gewoon vertellen. De Bijbel zet Gods antwoord aan Mozes neer als een echt antwoord. Er staat niet tussen haakjes bij: ‘Natuurlijk wist God van tevoren dat Mozes zo zou bidden, en God had daar rekening mee gehouden.’ Als dat zo geweest was, zou Gods antwoord dan echt een antwoord zijn geweest?  Zoals de Bijbel het verhaal vertelt, is het wel degelijk een echt antwoord.
Wat er in ons gebed gebeurt, is dat God ons betrekt bij het besluitvormingsproces waardoor dingen in de wereld plaatsvinden. Daarom gebeurt er niks als we niet bidden. Misschien is dat wel de reden waarom de geschiedenis al zo lang duurt. Misschien duurt de kerkgeschiedenis daarom wel zo lang. Misschien duurde Israëls geschiedenis daarom zo lang. God vond nooit mensen die op het juiste moment het juiste ingrijpen voorstelden.
God nodigt ons uit om deel te nemen aan de verwezenlijking van zijn goddelijke plannen in de wereld. En daarom gebeuren er dingen (of juist niet) als mensen bidden.

John Goldingay (1942) is hoogleraar Oude Testament aan het Fuller Theological Seminary in Californië. Van hem verschijnt vanaf dit najaar in Nederland de serie bijbelcommentaren Het Oude Testament voor iedereen, als eerste twee deeltjes over Genesis.


dit is een hele lastige uitdrukking, alle varianten met ‘opgeven’ werden door anderen als kunstmatig ervaren. Ik heb dat woord wel in de lopende tekst gehandhaafd.

donderdag 19 februari 2015

Buisman negentig!

Vandaag bereikt Jan Buisman de gezegende leeftijd van negentig jaar. NRC-journalist Arjen Schreuder maakte een prachtig interview met hem. "Ik kan wel merken dat ik geen tachtig meer ben."

Hier volgt de tekst, geniet ervan.

Het weer en de loop der dingen
NRC Next (18-02-2015)en NRC Handelsblad (19-02-2015)

Den Haag. Jan Buisman (90) beschrijft de invloed van het weer op de geschiedenis. Daar is te weinig oog voor, vindt hij. Zijn nieuwe boek is net verschenen, en er moeten er nog vier volgen.

 Zijn opzienbarendste arbeid heeft Jan Buisman na zijn pensionering verricht. Sinds hij in 1986 na veertig jaar het leraarschap neerlegde, kon de historisch geograaf zich volledig wijden aan het schrijven van Duizend jaar weer, een reeks dikke boeken over „de belangrijkste bijzaak in de geschiedenis”, zoals hij stelt in zijn beschrijving van de weersgesteldheid in de Lage Landen.

Het eerste deel, met beschrijvingen van 764 tot 1300, kwam bijna dertig jaar geleden uit. Vorige week verscheen deel zes. Hierin wordt de periode 1751-1800 beschreven, goed voor negen ernstige watersnoden in tijden van oorlog, Franse overheersing en revolutie. Buisman: „Ik beschrijf het weer, en vlecht daar de geschiedenis doorheen. Dat is de truc. De reacties zijn doorgaans heel positief. Als er kritiek is, dan is het dat er te veel politiek in zit. Maar ja, ik wil de tijd typeren.” Jan Buisman wordt vandaag negentig. De chroniqueur van het weer, woonachtig in een flat in de Haagse wijk Mariahoeve, heeft nog vier dikke delen te gaan. „Bij deel tien ben ik waarschijnlijk honderdtien, maar dat merken we dan wel. Ik voel wel dat ik geen tachtig meer ben. Ik ben iets minder vitaal. Maar mijn geheugen is goed. Ik heb alleen wat last van kriebelhoest.”

Buisman beschrijft het weer van de afgelopen ruim duizend jaar in hoofdstukken met titels als ‘Franse aanval in het westen begunstigd door droge wegen’ of ‘Mijn man drinkt des morgens een glaasje reegenwater’. Als het in mei 1757 bijna een maand niet heeft geregend en het land kurkdroog is, volgen maatregelen tegen brieven waarin brandstichting wordt aangekondigd. „De straffen zijn niet mals. De schrijver van de brieven, de brandstichter en hun helpers kunnen erop rekenen ‘aen een Pael levendig te worden verbrand’.”

In de afgelopen duizend jaar onderscheidt Buisman drie perioden. Eerst warm weer. Daarna koud weer tijdens de zogenoemde ‘Kleine IJstijd’ tussen grofweg 1430 en 1840. Daarna weer warm weer. Binnen die perioden valt vooral de „grilligheid” op. Dat geldt ook voor de tweede helft van de achttiende eeuw. „Er zit een rijtje bloedhete zomers in. Dan denk je: waar komen die ineens vandaan, we zitten toch in de Kleine IJstijd?”

De kunst is, vertelt Buisman bij een kop koffie, om niet te bezwijken voor de verleiding regelmaat te willen zien. „In mijn boek staan reeksen getallen over 870 winters en 870 zomers, zeg maar rapportcijfers over het weer, die statisticus Folkert IJnsen op basis van mijn gegevens heeft gemaakt. Die reeksen maken een tamelijk chaotische indruk. Je moet daar als onderzoeker onbevooroordeeld tegenoverstaan. Als begin 1300 drie strenge winters achter elkaar worden beschreven, dan mag je niet denken: hé dat kan eigenlijk niet, want dat komt nooit voor. Daar is de meteoroloog van Hitler, Franz Baur, mooi de mist mee ingegaan. In 1940 was er een pittige winter en ook die van 1941 was streng en hij zei dat in 1942 de winter aan het oostfront wel niet zo streng zou worden.”

Buisman heeft de afgelopen decennia de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag „platgelopen” op zoek naar historische bronnen. Brieven. Kronieken. Jaarboeken. Reisverhalen. Je hoeft, zegt Buisman, niet alle bronnen te gebruiken om te weten wat voor weer het is geweest. Maar het is wel zaak het kaf van het koren te scheiden, vooral in de jaren vóórdat er instrumenten werden gebruikt om metingen te doen. „Uitzoeken. Puzzelen. daar hou ik wel van.” Met beschrijvingen van het weer moet je in het algemeen „geweldig oppassen”, vertelt Buisman. „Soms zegt iemand half december dat het zo’n strenge winter is! Die bedoelt gewoon dat het erg koud is. Ik heb een huishoudelijke hulp, een Surinaamse, die zegt dat het zo hard vriest. Terwijl het vijf graden boven nul is! Ze bedoelt dat het erg koud is. Zo is er ook de mythe van de Hongerwinter. Iedereen zegt dat dat zo’n strenge winter was. Men spreekt over hongertochten door de sneeuw, dat het verschrikkelijk was om verkleumd met een karretje door de sneeuw te gaan. Tja, het heeft tot eind januari flink gevroren en gesneeuwd. Ook ik had het koud. Ik had geen sokken meer en knoopte een zakdoek om mijn voeten. Maar een strenge winter was het niet.”

Literatuur kun je lang niet altijd serieus nemen. „Heel link! Men fantaseert erop los.” Bruikbaar zijn vooral beschrijvingen van ooggetuigen. „De mooiste bronnen vind ik reisbeschrijvingen. Van de vader van Mozart bijvoorbeeld, toen de familie hier was. Als reiziger heb je altijd met weer te maken. Je reist in een trekschuit of in een postkoets. Je komt bij een rivier en er vaart niks, want de boel is overstroomd. Of je komt in een sneeuwstorm terecht en je moet drie dagen overnachten omdat je de deur niet uit kunt.” Dagboeken en brieven? „Ook prachtig.” Vaak passen de beschrijvingen bij andere bronnen. Rekeningen na schade door storm. De tolrekeningen van de grote rivieren. „Prachtig!” In de Middeleeuwen had je tollen in Zaltbommel, Tiel, Nijmegen. „Daar lees je dat er op die dag geen schip is gepasseerd, propter glaciem, vanwege ijs.” Of rekeningen van trekschuiten in de trekvaart tussen Haarlem en Leiden, vanaf 1654. „Ik heb al die rekeningen doorzocht. In sommige winters kon ongestoord worden gevaren. In andere winters waren er vijftig, achtendertig of zeventig dagen met bevroren water. Het komt in zulke bronnen maar zelden voor dat je iets vindt wat niet klopt.”

De rol van het weer in de geschiedenis is „onderbelicht”, zegt Buisman. Zijn boeken maken daar een einde aan. „In de geschiedenis van oorlogen lees je zelden wat over het weer. Terwijl dat toch heel belangrijk is. Je maakt een plan, je kient het uit, generaals staan gebogen over kaarten, en door het weer komt er niks van terecht, het plan mislukt.” Van belang zijn droge wegen. „Daar kun je met kanonnetjes langs.” Ook van belang: geen regen die kruit nat maakt. „Als het regende, zei men: vandaag maar niet vechten, laten we een potje bier drinken.” En verder: gras voor de paarden. „Waarom viel Napoleon in 1812 pas eind juni Rusland binnen? Vanwege het koude voorjaar! Er was te weinig gras voor de paarden. Dat lees je niet in de geschiedenisboeken.” Ook Hitler viel in 1941 door verwikkelingen elders in Europa een maand te laat Rusland binnen. „Ook eind juni. Op een zondagmorgen. In oktober zag hij de torens van Moskou. Daarna kwam hij in de Russische winter terecht.”

Het is niet overdreven te stellen dat ook bij het ontstaan van de Franse Revolutie in 1789 het weer een „factor van betekenis” is geweest. Buisman: „Er was hongersnood door misoogsten. En op zondagochtend 13 juli 1788 was er ook nog eens een geweldige hagelbui die over een paar honderd kilometer van zuid naar noord trok, de oogst vernielde en gigantische schade veroorzaakte, zoals aan duizenden ramen van kastelen langs de Loire. Vervolgens kwam de topwinter van de achttiende eeuw, de gigantische winter van 1788-1789. In maart is het geweldig koud geweest. De boeren hebben gevraagd om verlaging van pacht en belastingen en hebben zich zorgen gemaakt dat het graan in de grond bevroor. Want dan kreeg je weer hongersnood. En in mei brak de revolutie uit. Kijk, je mag natuurlijk niet zeggen dat de revolutie het gevolg was van het weer. Maar het weer moet zeker invloed hebben gehad.”

vrijdag 13 februari 2015

Abraham en Job, De Jong en Akkerman



“Op zekere dag kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan. En de Here zei tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de Here: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb. Toen zei de Here tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Abraham? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. Maar satan antwoordde: is het om niet dat Abraham u vreest? Gij hebt hem in zijn ouderdom en terwijl zijn vrouw onvruchtbaar was met een zoon gezegend en aan die zoon hebt u een buitengewone toekomst beloofd. Strek maar eens uw hand uit en neem hem die zoon af, zou hij u dan niet openlijk vaarwel zeggen? - Goed, hij is in uw macht, zei de Here, maar denk erom! Spaar zijn leven!"

*

Vorige week heerlijk met de trein naar Den Haag geweest. Dwars door de Oostvaardersplassen, op bezoek bij Jan Buisman, om hem zijn nieuwe boek te brengen: Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 6. 1044 bladzijden. Volgende week hoopt hij 90 te worden.

Treinreizen is een eeuwige worsteling tussen lezen en uit het raam kijken, en meestal is het wat laveren tussen die twee. Deze keer werd ik toch wel flink in de greep gehouden door De overste van deze wereld van Drs. H. de Jong. Aangetrouwde achterneef noem ik hem, want een tante van vaders zijde is met een De Jong getrouwd. Intrigerend is De Jongs laatste hoofdstuk, dat hijzelf 'een poging' noemt. Daarin bespreekt hij de moeite die we denk ik allemaal hebben met het verhaal van Izaäks offer, en in het bijzonder met het feit dat God Abraham zelf opdracht voor dat kinderoffer geeft. 

Stevo Akkerman verwoordt die moeite zo, in zijn roman Donderdagmiddagdochter, die ik diezelfde dag 's avonds voor het slapengaan las (zulke samenlopen krijg je wanneer je in meerdere boeken tegelijk bezig bent):  "Ik schud mijn hoofd. God grijpt in, maar hoe verloopt de terugreis van Abraham en Izaäk? Wat zegt de zoon en wat antwoordt de vader? Ik heb nooit begrepen, als kind al niet als dit verhaal aan tafel werd gelezen, of op school, of in de kerk, waarom iedereen doet alsof het heel normaal is dat je je zoon op een altaar bindt en het mes heft. Ik begrijp God niet, ik begrijp Abraham niet, ik begrijp Izaäk niet en ik begrijp de kerkgangers niet die hen wel begrijpen."

De Jong zoekt een uitweg door bij die opdracht van God te wijzen naar invloed van de Boze. De andere hoofdstukken van zijn boek leggen daarvoor een basis. Het citaat aan het begin van deze blog zet onze gedachten op het spoor dat De Jong bewandelt. 

Boeiend dus, dat nieuwe boekje van De Jong. Maar - ik heb vanuit de trein, op de terugweg uit Den Haag vorige week vrijdag, toch ook zeer van de besneeuwde velden genoten.


donderdag 18 december 2014

117.000 kilo



Een van de mooiste theologische anekdotes van de afgelopen jaren was die over Rick Warren die tijdens een doopplechtigheid in zijn Saddleback Church plotseling een ingeving kreeg over het thema overgewicht. Tijdens een grootschalige doopplechtigheid van een aantal honderden nieuwe leden besefte Warren dat hij die dag een gewicht van meer dan 65.000 kilo had ondergedompeld. We zijn met elkaar veel te dik, constateerde hij. En samen met een drietal gezaghebbende artsen bedacht hij het Daniel Plan. Hij begon met zichzelf en zijn eigen gemeente. Zelf viel hij 24 kilo af, en zijn grote gemeente in totaal 117.000 kilo. Nu is er zijn boek, Gezond leven. Niet alleen voor dikkerds, maar voor iedereen die als christen met dit thema aan de slag wil.

Het is de zoveelste bevestiging: als alle Nederlanders vanaf vandaag de helft gingen eten van wat ze nu aten, en vijf keer zoveel gingen bewegen als ze nu doen, dan kan ons budget voor gezondheidszorg wellicht wel met driekwart naar beneden. Misschien hebben we dan wel helemaal geen minister Schippers meer nodig! 

woensdag 17 december 2014

Christmette

"Eigenlijk sta je als blokfluitist in je blootje op het podium. Er is niets waar je je achter kunt verbergen. Het is raak of het is niet raak. En dat is ook de eerlijkheid die mij aanspreekt in het instrument. De blokfluit heeft een paar updates gemist in de muziekgeschiedenis. Updates die er bij andere blaasinstrumenten voor hebben gezorgd dat ze foutloos zijn, perfecte machines, met veel klepjes. Maar wat mij nu juist zo interesseert aan de blokfluit is dat hij niet af is en allerlei nukken kent. Die spanning voel je als publiek ook. Als luisteraar hoor je: die toon hoeft maar 1 millimeter die kant op te neigen en het gaat mis. Het is een soort koorddansen."

Ach, al weer een dik half jaar geen blog. De laatste was op 7 mei, de verjaardag van mijn geliefde oudste zuster. Het zou eens wat vaker moeten, al was het maar om een mooi citaat uit de krant te delen, zoals het bovenstaande uit Trouw van vanochtend. Erik Bosgraaf, als jonge blokfluitist gecoacht door mijn vroegere koordirigent Broer Giesing, in een dubbelinterview met Willem Jeths, neef van onze overbuurman Henk. Laatst in Leeuwarden nog een prachtig concert met Erik en Broer mee mogen maken, in de Grote Kerk, met de onvergetelijke herinneringen aan koorrepetities in de vorige eeuw, in het koor bij de Nassau-graftombe, soms bij temperaturen om het vriespunt. We mochten echt wel repeteren in de verwarmde kosterij; maar we waren daar gek, als je in de kerk zelf mocht zingen. 

Het blokfluitinterview moest ik wel even lezen na de generale repetitie van de Franeker Christmette in Kollum gisteravond. In Kollum, want hij wordt vrijdag eerst in Kollum gezongen, en pas zaterdag in Franeker. Een soort Naarden van het noorden, maar dan met kerst: de zaterdag voor Kerst Pretorius' Christmette. Als de eerste strijkersklanken van Puer Natus klinken, dan smelt ik, altijd weer.

En dit jaar hebben we er een jonge blokfluitiste bij, tevens theologiestudente in Groningen. Haar vriendin, blokfluit-leerling van dezelfde docente en eveneens Groninger theologiestudente, speelt op Eerste Kerkdag in Franeker in de Voorhof.

Welnu, genoeg even tot zover. Alleen nog even een linkje.
Naar Puer natus in Bethlehem op YouTube (een van de reacties onder het filmpje vraagt aandacht voor het enthousiasme van de contrabassist in de refreinen).

En, vooruit, ook een naar een boek. Voor Kerst. Laat ik maar geen boeken eromheen doen, maar gewoon het verhaal zelf. In gewone taal.

Voor als het weer even gaat duren: alvast mooie kerstdagen en een goede jaarwisseling!
 

woensdag 7 mei 2014

National Geographic Jubileumboek

Het National Geographic Magazine (wie kent het niet) bestaat 125 jaar. Reden voor een bijzonder en kostbaar jubileumboek in drie banden. Te bestellen via Wever Van Wijnen  - elke koper krijgt een exemplaar met een eigen uniek nummer.

Hieronder een aantal afbeeldingen van binnen- en buitenkant van het boek, inclusief het zeer speciale boekenstandaardsysteem:


Loading...  


 


  


 


  


 


    










maandag 5 mei 2014

De Heer van alle groepen

Het blad De Waarheidsvriend van de Gereformeerde Bond in de PKN schreef al weer een tijdje terug over het boek Van alzo hoge van John van Eck. Mooie dingen meldt de recensent erover, en dat doet je als uitgever goed. Vooral het hoofdstuk over de Geloofsbelijdenis van Athanasius had hem aangesproken. Die belijdenis heeft niet altijd zo'n beste pers. Des te verrassender dat er in Van Ecks boek een soort loflied op klinkt.

De behoorlijk radicaal getoonzette belijdenis die aan Athanasius toegeschreven wordt, wordt in Van Ecks boek 'mild en met veel empathie' uit de doeken gedaan. 'Dwang en verbod beperken de schrijver van deze belijdenis niet, maar houden hem juist in beweging. Zodra er een verkeerde conclusie dreigt (...) keert de wal het schip en moet het weer de andere kant op,' schrijft Van Eck. 'Al lezende zag ik een preek over deze belijdenis helemaal zitten,' is de reactie van ds. Liefting uit Delft.

Direct naast de boekbespreking staat een ander artikel, waarin het gaat over de interne strubbelingen binnen de Gereformeerde Bond zelf. Daar lezen we onder meer: 'Bij het scenario van "hergroepering" zouden de open bonders plus een deel van de middengroep van de bond met de confessionelen en mogelijk met de evangelischen een brede stroming in de Protestantse Kerk kunnen vormen. De rest van de middengroep van de bond zou zich met de bevindelijke bonders kunnen richten op het bewaren van de afstand tot de moderne cultuur en gaan samenwerken met de reformatorische zuil.'

Groepering binnen groepering binnen groepering, daar zou een mens toch wat moedeloos van kunnen worden. Kennelijk bevat de middengroep van de Gereformeerde Bond ook weer verschillende stromingen: behoudende middengroepers en vooruitstrevende - en dan natuurlijk ook een midden-middengroep.

Het komt waarlijk niet alleen in de Bond of in de PKN voor, die hand steek ik als vrijgemaakt-gereformeerde jongen graag in eigen boezem. Het is te hopen dat alle groepen, midden, midden-midden plus flanken aan alle zijden, zich eendrachtig blijven laven aan de wijsheid en liefde die de Heer van alle groepen ons van alzo hoge gezonden heeft en dagelijks zendt.